________________________________________

Press on.

My anger

If we go on like we did, there's nothing to worry about anymore in the future. Then they will be gone. One by one, they will perish. An entire generation will vanish simply because we don't care enough to let them live.
I did everything I could.
I don't understand how no one cares.
I don't understand how we all watch them die.
It tears me apart and it makes me very, very angry.

foto van pub night

Jasmin (Remo's zus), Remo, Aline en Patrick in de pub bij Oxford Circus

Soms is 't leven goed als het gewoon werkt.

I wish I could get out of my own head
Wereld die groeit en ik blijf dwaas
Als een dansende pop aan de touwtjes
Ik zie
de morgen
De dagenraad tekent hem
Steeds scherpere lijnen vormen mijn blikveld
Ik voel het en zie wolkjes nieuw
Alleen of niet, ik zie het wel en voel dat ik ook alleen sterk ben
Ik voel dat deze vingers kunnen maken wat mijn hoofd niet kan
Ik herhaal het voor mezelf en begin het te begrijpen
De gedachte dreunt door in de gangen van het paleis dat ik bezit
Prinsesje - lief waar ben je dan, kom tevoorschijn als je kan
Ik roep haar harder, waar is ze toch?

Ze zit verstopt maar is er wel
Mooi prinsesje, blije lach
We kennen haar wel
Het geeft niet prinsesje, kom maar
Niet zo schuw
Schaam je niet dat je bang bent of boos of verdrietig
Zoals je je ook niet schaamt als je blij bent.
Je bent en blijft één persoon
Vertrouw daarop
Veeg de mist en nevel uit je ogen
Je moet de stap wagen
Je moet even uit je hokje komen
Dan snap je het wel
Als je maar eenmaal op weg bent
Als je maar durft, dan zul je zien dat het helemaal niet zo moeilijk is
Dan hoef je niet eens meer te huilen
Er is vast veel dat je nog niet weet, maar je bent niet dwaas.
Groei maar heel rustig met de wereld mee
En bal af en toe je vuisten naar wat je niet aanstaat
Je bent zo volledig als je zijn kunt. En je bent mooi.

2e paasdag

Il neige.

Alles is wit, het sneeuwt. Een witte Pasen. En ik lees Franse teksten over Londen, en luister muziek.. Simpel, maar toch word ik er vrolijk van. Want Frans is een mooie taal. De muziek is niet zoals vaak bij mij, dramatisch, maar juist vrolijk. Wat anders. Ik moet eigenlijk gewoon heel hard gaan werken nu, aan alles, maar ik wilde eerst gewoon even weer wat schrijven. Kort maar. Eigenlijk moet ik Eedens schrijven. Al sinds december geen Eedens meer geschreven. Maar die zitten nog even in de pen, en niet hier... Heb er wat tijd voor nodig.

 

Beetje bij beetje
sprokkel ik een mondje bij elkaar
om jou te kunnen antwoorden

en hopen dat het mondje niet breekt
dan zwijg ik weer -
een lange tijd

maar ik kan nog best lachen
want dat doe je met hart
en niet met je mond

de sneeuw smelt.

Ik ben nooit wie jij wil dat ik ben. Volgens jou dan.

Je te vois.

Et je me demande..

Quest-ce que c'est?

Cette silence...

Je m'ai promis de sourire..

Mais chaque fois...

Je te vois.

Et je suis si seule.

 

And as we slightly move on..

Oostwaarts. Alles is gedaan. Gesloten. Zolang getwijfeld en zo lang onveilig, niet realiserend van wat er is, tot het tussen je vingers door sijpelt. Waarderen is iets wat ik meer moet gaan doen. Kijken naar wat ik heb, naar wat ik heb, niet naar wat  ik wil, hoe het perfecte nog perfecter zou zijn. Zo veel leren. Kritiek ja, maar ik ben veranderd. Zo veranderd. Weet dat mijn gevoel geen smetteloze ogen heeft. Op de tast verder zoeken. Had nooit zonder dit willen zijn.

 

Oostwaarts.

 

Eva Nemova

 

 

Sorry, Eva Nemova.
Toen ik jouw foto zag, een klein vierjarig meisje met enorme ogen, wist ik dat ik jouw verhaal vertellen moest. Mijn potlood tekende jouw donkere haar, jouw jurkje, jouw schoentjes, jouw ogen. Ik tekende de treinrails, die in jouw leven zo allesbeslissend waren. Ik schreef in jouw taal, het mooie Hebreeuws, de woorden: "maak je geen zorgen.''  Het deed veel met me, om dat te doen. Om die letters te  schrijven, in jouw donkere en onwetende ogen kijkend.
Jouw verhaal. Hoe jouw familie vroeg: 'Wie geeft ons het water?', naar een oud-Joods gebruik. Die gedachte, dat die gedachte door de hoofden van jouw familie schoot, op dat moment... En jij, kleine Eva, vier jaar was je, en nooit ben je ouder geworden dan dat. Zo'n onschuldig klein meisje, wat had jij fout gedaan dat jij niet ouder mocht worden dan vier jaar? Toen ik in je ogen keek, wilde ik de wereld opnieuw deze vraag stellen.

 Maar het werd niet gewaardeerd. Ik had het groter moeten aanpakken. Zoiets als dit kun je maar een keer doen, toch. Ik kan niet twee keer over jou en jouw familie verhalen. Nadat ik mijn tekening had ingeleverd, toen ik de kritiek kreeg dat ik mijn oude idee had moeten uitwerken ( een tekening van een vrouw in rode jurk die een man afwijst), dacht ik: nee, dat teken ik niet. Ik keek in je ogen en begreep niet dat iemand die keuze niet kon respecteren. Nu ik zo tegen je praat, nu ik me tegen jou richt, kan ik me niet goed voorstellen dat jij ooit werkelijk geleefd hebt. Maar toch is het zo, toch is het zo.

Een 7.3. Ik heb een cijfer gekregen voor de tekening, Eva. Een 7.3, voor jouw beeltenis, de treinrails, en het Hebreeuws. Is het eerlijk? Iemand maakt een foto van een boom en vallende bladeren en haalt een 7.5. Is dat eerlijk? Ik zal je toegeven, Eva, dat ik toen bijna huilde. Niet omwille van mijn eigen prestaties, maar vanwege mijn schuldgevoel naar jou. Had ik jouw verhaal wel moeten vertellen? Zoiets schrijnends moet niet eens beoordeeld worden. Op het moment dat mensen jou zien, moet hen dat raken, tot het diepst van hun ziel. Zo diep, dat ze al hun beoordelingen, labels, kaartjes en hokjes vergeten. Het gaat hier om jóu!

Daarin heb ik gefaald. En dat spijt me, Eva Nemova.

het maakt niet uit hoe lang ik jou niet zie

Vertrouwen. Ik kijk je aan en ik zie wat je denkt. Ik vraag je hoe het gaat en je zegt goed maar ik zie aan je ogen dat je wil praten. Je ziet dat ik iets moeilijk vind maar jij maakt het makkelijker. Jij zegt wat mijn gedachten zwijgen. Als jij iets doet wat verkeerd is is het in mijn ogen niet verkeerd. Als ik iets doe wat niet kan zul jij er geen oordeel over hebben. Anders zijn we, maar nog wel twee ogen op hetzelfde gezicht, die samen zien. Ik vertrouw jou, zoals ik weinig anderen vertrouw. En soms ben ik zo gelukkig dat er iemand is die ik zo mag vertrouwen, die mij zo kent en mij vergeeft voor alles wat ik verkeerd doe. Iemand die mij niet kwetst. Iemand die me nooit kwetst. Dat gevoel is mij zo intens intens dierbaar, dat ik het met al deze woorden niet kan beschrijven.

Geduld

14.44. Thuis. Zolder. Computer. www.blogse.nl en www.myspace.com/shoshanabean2. terug van school.
Vanmorgen het eerste uur een nieuwjaarsontbijt. Deze keer, in tegenstellign tot ieder ander jaar, zónder muffins. Erg jammer. Niks gegeten. Dan Nederlands. En we doen niets. En de lerares denkt dat ik het erg vind. Hoe komt het toch dat iedereen denkt dat ik niets liever doe dan aan school werken? Er zijn duizenden dingen die ik liever doe! Thuis zitten met mama om half 11, koffiedrinken. Thuiszitten om 14.44, inmiddels 47, naar Shoshana luisteren.

Een nieuw jaar. Terugkijkend op het oude jaar, zijn er zoveel dingen gebeurd waarvan ik niet had verwacht dat ze zouden gebeuren, op allerlei vlakken. Positief, negatief...  En ben ik veranderd? Ben ik na een jaar anders? Een jaar ouder ja, dat ben ik, maar ik ben vandaag ook een dag ouder dan gisteren. Waarom meet de mens in jaren? Soms leer je in een dag meer dan je jaren hebt geleerd. En wat leer ik dit jaar? Wat staat me te wachten?

Het geeft niet. Wat het ook allemaal moge zijn, ik zal  alles ontvangen. Hoe veel gebeurt er nu dat je werkelijk schade aanricht, dat je werkelijk kwetst? We hebben zo gauw de neiging te klagen. Klagen over het weer, over een hoofdpijntje, pijn aan onze voeten, een zware tas die we dragen. Maar wat is dit nu echt? Zijn dit niet meer dan feiten, die ons geen serieuze schade toebrengen? Ik probeer het zo te zien. En toen het koud was en vroor en iedereen klaagde over die kou, dacht ik: ja, koud is het. Maar verder? Wat doet mij die kou? Niets. Helemaal niets. Weet je dat je daar veel milder van wordt? Afwachtender ook. Niet alleen als het om jezelf gaat maar ook om anderen. Vaak als mensen iets tegen ons zeggen of naar ons kijken, willen we direct iets terug doen. Dus we antwoorden of glimlachen. Waarom wachten we niet even en nemen we eerst alles in ons op voor we reageren? Ook daarna kun je glimlachen. Maar anders. Want pas dan glimlach je vanuit je hart. Omdat je weet waarom.

Ik wens iedereen een geduldig, kalm, mild jaar, met vele glimlachen.

Weblog dedicated to Eeden

En dit was het plan. Loud, en eventuele anderen die hier nog eens zijn: Er is een speciale log voor de fragmenten van Eeden:

http://fragmentenvaneeden.blogse.nl/

 

Hier ga ik voortaan alle Eedens op plaatsen. Zal betekenten dat deze log nog maar weinig gebruikt zal worden. ook wil ik beginnen met het aanpassen en verbeteren van Eedens.

Ragno

Ik vind jou mooi.

Dat stond er op het verfrommelde briefje dat Eeden Dault nu in haar handen had. Iemand had het vanuit de struiken tegen haar aangegooid, terwijl zij de steen van Vittoria aan het lezen was. Ze las niet verder want ze las het briefje dat gegooid was. Meteen daarna voelde ze dat iemand haar aanraakte. Haar haarspeld. Handen maakten hem los. Handen pakten de streng haar die de speld bij elkaar had gehouden. Handen maakten de speld weer vast. Eeden stond niet op maar wachtte tot de persoon aan wie de handen toebehoorden naast haar ging zitten.
‘Sta eens op, meisje.'
En Eeden stond ondanks zichzelf op en stond oog in oog met de zwartste man die ze ooit had gezien. Hij zag haar verbaasde gezicht en lachte. Parels van tanden.
‘Wat, meisje, is er?' vroeg hij lachend.
‘Ik... Ik heb niemand gezien... nooit iemand... niemand zo zwart als jij. U. Jij. Niemand die zo zwart is.'
‘Dat is vast vreemd als je zelf zo wit bent, meisje.'
Ze werd duizelig en ging weer voor de steen zitten. Hij bekeek haar enkele momenten. Toen keek hij naar de steen.
‘Wat is dat?'
‘De steen van Vittoria.'
‘Dat weet ik. Heb jij, meisje, die dingen geschreven?'
‘Ja.'
‘En de ander, en de ander?'
‘Een... hij... hij was iemand voor me.'
‘Belangrijk?'
‘Nee.'
‘Alleen... voor de nacht? Enkel voor de nacht? Slechts voor de nacht?'
‘Meer niet.'
‘Wat staat er?'
‘Lees maar.'
‘Ik kan, meisje, niet lezen.'
Wit zweeg. Zwart wachtte.
Zwart wachtte. Wit zweeg.
‘Lees het dan voor, meisje.'
‘Waarom?'
‘Omdat ik 't vraag.'
‘Dat was geen vraag maar een bevel.'
‘Jij je zin, meisje. Ik vraag je het voor te lezen.'
Eeden las voor en de zwarte man luisterde. Ondertussen herhaalde hij het speld ritueel. Het irriteerde Eeden niet. Toen ze klaar was met voorlezen was hij klaar met de speld.
‘Waarom raak je me steeds aan?' vroeg Eeden.
‘Omdat ik aan kindermagie lijd.'
Eeden keek op naar hem, lachte, alsof ze het aangenaam vond dat te horen, maar vroeg toen: ‘Wat is dat?' het was zo geweest dat ze het fijn vond om een woord te horen dat haar geen oordeel ontlokte, geen beeld bij haar opriep, ze kende het woord niet, ze wist niet wat kindermagie was, wel dat het mooi klonk, het woord kind en het woord magie in een woord, verenigde fantasie voor altijd het enkelvoud van onwetendheid! Rijke zinnen bedacht zij zich nu, rijke zinnen geen betrekking hebbend op kindermagie.
‘Bram heet ik en ik lijd aan kindermagie en ik heet Bram. Ik word gedwongen tot het doen van dingen.'
‘Hoe bedoel je?' Eeden stelde vragen en dat deed Eeden niet vaak. Bijzondere zwarte man.
‘Ik doe je speld recht en recht en weer recht. Ik tel mijn passen, ik tel de bomen, ik tik ritmes, ik begin met mijn linkerbeen te lopen en ik kruis mijn vingers als ik probeer te slapen.'
‘Je stapt niet op de lijntjes van de tegels in de stad?'
‘Ik stap niet op de randen van de kasseien. Ik loop op mijn tenen, maar zal de randen nooit raken.'
‘Ik begrijp het. Waarom heet het kindermagie?' Zoveel dat Dee niet wist!
‘Weet ik niet. Meisje, wat weet ik? Ik kan niet lezen. Ik kan niet schrijven. Wat weet ik?'
‘Als je niet kunt schrijven, hoe kun je me dan dat briefje hebben geschreven?'
‘Wat stond er, meisje, wat stond er op dat briefje?'
Eeden zweeg, keek hem achterdochtig aan, knipperde, wimpers zwaaiden naar Bram, een zwarte man, de man die niet kon lezen, maar hij loog niet. Wat stond er op het briefje?
‘Ik vind je mooi,' herhaalde Eeden.
‘Ik vind je mooi,' zei Bram.
‘Hoe kun je het hebben geschreven?'
‘Heb ik, meisje, niet gedaan. Ik heb het briefje op de zon gevonden.'
Eeden glimlachte weer. Ze zou Matte niet terugschrijven, ze zou hem niets meer zeggen.
‘Laten wij lopen, meisje wit. Lopen en zien, daarom zijn wij hier.'
Ze stond op, pakte zijn hand die hij had uitgestoken. Een grote, zwarte hand. Een ruwe. Een veilige hand voor Eeden. Wit en zwart.
‘De steen huilt traantjes om je afscheid. Moet je je minaar niet een lief versje schrijven?'
‘Nee. Hij is alleen maar voor de nacht. Hij heeft geen versjes nodig.'
En ze liepen, en ze liepen, niet richting Blauw Iris, nee, verder de bossen in, en Bram vertelde Eeden dingen die niet waar waren; althans, dingen die voor Eeden nog nooit waar waren geweest.
‘Ik ben vaak verliefd op een bloem,' zei hij dan, en dan vroeg Eeden waarom hij dan verliefd was. En dan zei hij dat bloemen eigenlijk koninginnen waren maar dat niemand dat wist. Hij vertelde haar dat hij keizer was, hij vertelde haar dat hij zwerver was. Hij toonde haar elk dier, ze leken niet voor hem te willen vluchten. Zelfs het hert wilde niet voor hen vluchten. Hij stelde het hert aan Eeden voor als een eenhoorn, en Eeden stelde hij voor als een spin.
‘Waarom ben ik een spin?' vroeg Eeden dan.
Hij antwoordde dat spinnen net zo mooi waren en net zo angstaanjagend, en dat spinnen net als Eeden verkeerd werden begrepen, dat spinnen een web om zich heen sponnen, waaruit eenieder die verleid was door het glanzende draad, of simpelweg het draad niet had gezien, nooit meer zou kunnen ontsnappen. Dat ze haar prooien leegzoog en in het web liet hangen, achteloos.
‘Dus ik ben een ongewenst wezen?' had Eeden gevraagd.
‘Spinnen vangen muggen,' zei Bram. ‘Muggen plagen meer dan spinnen. Het is geen boosaardige natuur, maar het vooroordeel van anderen dat jou tot ongewenst wezen maakt.'
En dus bekeek de spin de eenhoorn. Prachtig, hoe het dier een eenhoorn durfde te zijn zonder hoorn! En waanzinnig dat zij op dat moment het dier aanschouwde als eenhoorn, vanuit de ogen van de spin die ze was geworden. Ineens kreeg die spin een idee en rende zo hard mogelijk terug naar de steen van Vittoria. Bram keek haar niet na toen ze wegrende, Bram vroeg niets en riep niet, Bram rende niet achter haar aan. Hij zou haar terugzien. Hij had het web aangeraakt.
Op dat moment rende Eeden, buiten adem en licht in het hoofd door de reis die ze met zwart had gemaakt. Ze kon niet geloven dat hij haar sprookjes had verteld over bloemen en keizers en zwervers en eenhoorns die op datzlelfde moment waar leken te worden. Alsof ze onder water gedompeld was, en nu weer boven kwam, en zich niet kon voorstellen hoe raar de wereld er onder water uitzag. Raar is het. Één waarheid was haar bijgebleven, van alle sprookjes juist verteld en dat was deze: Eeden was een spin. En eenmaal terug bij de steen van Vittoria schreef zij:

Matte, ik wou dat ik jou uit mijn web kon bevrijden en dat jij niet meer vastzat aan de glinsterende spinnendraad.

De rest van die dag was ze met Bram, en liet zich verdrinken in een wereld van nieuwe waarheden. Pas tegen de avond begaf ze zich naar de ruïnes. Echter, niet alleen. Zwart en wit, de maan als enige getuige.
la nostra dea è un ragno !

 

Steinen av Vittoria

De steen van Vittoria is een rots, net iets buiten Blauw Iris. De bovenste laag is met zachte klei bedekt. Vaak worden er briefjes in geprikt, door vrienden, geliefden, of mensen met politiek afwijkende ideeën. De steen van Vittoria belooft anonimiteit. Maar juist aan anonimiteit hebben Eeden en Colmatte geen behoefte, als zij elkaar via deze steen weer vinden na Colmatte's brief; de brief na welke het contact tussen de twee voorgoed verbroken leek te zijn...

Je suis une sorcière qui n'existe pas.

Alles is een spelletje voor jou, of niet?

Lost and found.

Zal ik je naam noemen? Of zal ik aannemen dat wij van elkaar weten wie we zijn?

How many non-existing sorceresses do you know?

Nur eine.

Say something. Anything.

Tu est la fête de ma coeur.

Heel mooi. Leugen of waarheid?

Het onweert niet, prinzessin.

Ik breek beloftes, want gebroken worden is het enig doel van hun bestaan.

Du bist das Ziel meines Lebens. Ook niet waar. Ik hou van liegen.

Ik hou van leugens.

Ik wil je zien.

Ik jou ook.

Waar kan ik je vinden

Brieven

Belle.

 

Of ik je sterk vind? Wat wil jij nu van me horen? Dat ik jou bewonder? Nadat je hebt gezegd dat je me niet mist? Zou ik je daarom bewonderen? Door jou heb ik Alis bedrogen! En dan zou ik je bewonderen als jij zegt dat het jou niets deed? Ik vind je niet sterk, Eeden. Belle. Ik zal tot een kinderlijk niveau zinken en zeggen dat ik jou in- en ingemeen vind.

 

Ik ben jouw speeltje. Je behandelt me zoals een kat een dode vogel behandelt; ongeïnteresseerd en arrogant. Ik heb spijt van die nacht in Sarrah, Belle.

 

Verandert dat je misschien? Jarenlang heb ik naar je verlangd- en nadat ik heb gekregen wat ik wenste wilde ik dat ik het nooit gewenst had. Het klinkt als een sprookje, vind je niet? Ons sprookje, Eeden. En jij bent de boze heks. Goed en kwaad, Belle, en jij bent kwaad.

 

Ik ben niet het goede, want ik ben zwak. Ik liet me door jou verleiden. Alis is de enige die goed is. Zij verdient mijn trouw, ik heb haar in de steek gelaten. Voor jou. Omdat je het me smeekte. Jij smeekt nooit!

 

 

En dan ineens vraag je me, vertel eens over Alis! Nooit wilde jij horen over Alis, en nu ineens moet ik vertellen over Alis! Je hebt een gevoel van triomf, Eeden, je denkt dat je Alis hebt verslagen! Maar jij zult haar nooit verslaan. Alis is het liefste wezen dat ik ken. Zo compleet onschuldig, zo, ‘precious.’ En jij… Jij bent gesluierd met kwade intenties. En jij sleurt mij mee. Ik wilde Alis geen pijn doen, haar niet! Maar jij dwong me! Jij hebt mij veranderd!

 

 

Je bent vervangen, Eeden. Zelfs Mor beaamt dat.Omdat jij niets meer van je liet horen. Je hebt ons allemaal in de steek gelaten. Je verwacht van ons dat wij er zijn als jij onze aanwezigheid wenst en anders mogen we wegblijven. Wel, dan zullen wij wegblijven. Voor altijd. Je bent vervangen door Alis. Alles wat jij ooit had moeten zijn.

 

 

Colmatte.

 

 

Muis

‘Alis.’

 

‘Eeden.’

 

Zo stonden ze daar zwijgend tegenover elkaar. Alis moest toegeven dat de gelijkenis met Eeden treffend was. Eeden was misschien iets langer dan zij en haar gezicht was net iets harder. Kwam het door de strenge kin en de licht uitstekende jukbeenderen? Eeden’s haar was wat langer en iets dikker. Het golfde iets en glansde in het warme licht van de haard. En haar ogen. Natuurlijk die ogen. Niet helderblauw en twinkelend, zoals ze van haar eigen spiegelbeeld gewend was, maar zo bruin dat ’t haast zwart leek- en kil! Een ware dodelijke blik, zo kil. Alis voelde zich als een muis tegenover de kat.

 

 

De kat bekeek de muis. Dus dit was Alis Kiersee… Ja, dacht die kat. Een beetje Eeden maar wel anders. Ze wist niet wat ze tegen deze Alis Kiersee moest zeggen dus zweeg ze.

 

 

Alis wilde wel met haar praten. Ze wilde alles weten over deze vrouw die haar rol afgaf aan… aan een Alis Kiersee uit West. Wie is Eeden Dault? Wie is toch die stenen actrice? Zonder zwakte, zonder kracht? Zonder gêne, zonder pracht? Die spreekt als ze spreekt en verder zwijgt, alsof dat volstaat…

 

 

‘Waarom ga je eigenlijk stoppen?’ vroeg ze, en had er direct spijt van omdat de vraag voor haar gevoel niet bijzonder tactisch over kwam.
Maar in Eeden’s kille blik veranderde iets, alsof de zon door de wolken brak. De kat was verdwenen. De muis zuchtte haast onmerkbaar.

 

‘Ga zitten,’ zei ze, met een plotseling warme glimlach waarvan Alis de oorsprong niet kon doorgronden. De twee namen plaats op de sofa. Eeden bood Alis thee aan, en toen Alis het glas van haar aannam raakten hun handen elkaar. Het voelde vreemd. Magisch. Eeden was iemand die je niet aanraakte. Een porseleinen poppetje. Maar dan sterker dan porselein. Of juist niet. Misschien juist wel zo sterk door de breekbaarheid. Eeden was een ijzersterk porseleinen poppetje.

 

‘Waarom ik gestopt ben…’

 

Eeden staarde dromerig voor zich uit, er was een lange stilte en Alis wachtte.

 

‘Ken je dat verhaal van Vier en Acht?’

 

‘Wat?’

 

‘Vier wilde graag de hof van Eden in. Daar staat een berg die werkelijk tot aan de hemel reikt. Vier vroeg Acht mee en samen betraden ze de tuin. Eenmaal in die tuin waren ze verwonderd over de schoonheid die hen omringde. Ze merkten elke vlinder op, elke bloem, de vogels, de takken van de esdoorn, de manier waarop de takken van de treurwilg de huid van het water plooiden als waren het de rimpels van een oude vrouw. Ze deelde dit geluk met elkaar en wat een geluk! Alle pracht drong diep tot hen door, zo diep, dat ze niet merkten dat ze in de schaduw van een hoge berg liepen. Acht merkte het pas op toen het de stralen van de zon voelde. “Wij zijn de berg voorbij, de berg die tot de hemel reikt!” Nu pas zag Vier het, en te laat. Ze konden niet terug. Ze hadden hun wandeling door de hof van Eden gemaakt. En de berg gemist. Zo hadden zij de schoonheid van de omgeving gewaardeerd dat zij niet merkten dat ze hun echte doel misten, de reden van hun aanwezigheid, de berg, en dan nog wel een berg die tot de hemel reikt!’

 

Eeden keek Alis met grote ogen aan, verhit, alsof ze Alis had proberen te overtuigen van het belang van bergen. Maar Alis had slechts gevraagd waarom ze wegging. Wie, wie was Eeden Dault?

 

‘Alis… Vogels kunnen niet vliegen en lopen tegelijk. Vliegen ze, dan missen ze al het schone op de grond. Lopen ze, dan is er voor hen geen vrijheid. Begrijp je?’

 

Alis wist niet wat ze moest zeggen. Ze wist niet dat iemand zo complex kon zijn…

 

‘Ik wilde mijzelf niet verspillen…’ zei Eeden nog, nu meer tegen zichzelf dan tegen Alis.

 

‘Heet je Eeden naar de hof van Eden?’

 

‘Ik heette eigenlijk Belle,’ antwoordde ze direct, alsof Alis haar uit een trance ontwaakt had met haar vraag. ‘Toen ik vijftien was en meer met Colmatte begon om te gaan noemde hij me Dee, Italiaans voor ‘godinnen’… Hij vond dat ik godin van de wijsheid was, van de schoonheid, van de twist, van alles. “Zoveel godinnen in een persoon!” heeft hij een keer gezegd. “Jij bent niet Belle, jij bent Dee!” Ik was het er natuurlijk niet mee eens en om hem te pesten draaide ik de naam om. Maar “Eed” klonk natuurlijk verschrikkelijk, en daarbij is het een woord waar iedereen meteen een idee of gedachte bij heeft. Dus het werd Eeden; een woord dat in geen enkele taal een betekenis heeft.’

 

Alis knikte, op zoek naar woorden. Woorden met betekenis. Ze vond ze niet en zweeg. Eeden zweeg ook. Alis kreeg de indruk dat ze meer gesproken had dan ze gewend was, of in ieder geval meer dan ze van plan was geweest. Ze dronken hun thee. Eeden zocht niet naar woorden maar zweeg zonder reden. Ze had meer gesproken dan ze gewend was. In ieder geval meer dan ze van plan was geweest. Ze genoot van de stilte die ruw onderbroken werd door Colamtte die zonder te kloppen haar kamer binnenkwam.

 

‘Ik had gehoopt je nog even alleen te kunnen spreken voor vanavond,’ zei hij, zonder zijn excuses aan te bieden voor het verstoren van het gesprek. Van de stilte. Alis was hem dankbaar.

 

‘Ik ga geen afscheid van je nemen, Matte,’ zei Eeden. Niet kwetsend, niet verontschuldigend, maar kalm. Ze zei het alsof het een feit was. Dat was het, het was een feit.

 

‘Dat dacht ik al,’ zei hij en nam plaats op de bank, tussen Alis en Eeden, Alis negerend. ‘Jammer. Ik had je nog wel wat dingen te zeggen.’

 

‘Je verandert niets als je het niet zegt en je hoeft niets te veranderen. Ik hoef het niet te horen. Het is goed.’

 

‘Dee.’

 

Ze zuchtte, stond op, kuste hem op de mond en liep zonder iets te zeggen haar kamer uit. Matte was niet verbaasd. Weer een stilte. Het tikken van de klok en het tintelen van zijn lippen. Alis kraste met haar duimnagel resten kohlpotlood van haar pink. De stilte siste, de muis piepte.

 

‘Het is een bijzondere vrouw,’ zei de muis uiteindelijk.

 

Matte knikte, nog even in gedachten, en draaide zich toen om naar Alis.

 

‘Het was vreemd jullie naast elkaar te zien. Jullie lijken echt op elkaar.’

 

‘Alleen qua uiterlijk. Ik begrijp haar niet.’

 

‘Dat hebben we dan gemeen. Ik bezit ook haar gave niet, het is een aanleg, een aanleg voor…. razernij, concentratie, zelfbewustzijn…’

 

‘Ze lijkt me ongrijpbaar.’

 

‘Dat is ze. Ik was drie toen ze geboren werd, ik kan het me nog herinneren. Het is namelijk mijn allereerste herinnering. Ik weet niets meer van de tijd voor zij er was. En nog steeds begrijp ik haar niet.’

 

‘Vind je het jammer, dat ze weggaat?’

 

‘Ja. Ja en nee. Ze is heel, heel moeilijk. Intimiderend, en toch kwetsbaar. Ze is… excentriek. Ik leer van haar. Maar ze frustreert me ook.’

 

‘Ik snap het.’

 

Matte keek Alis aan en glimlachte even, zij glimlachte ook, en God, wat leek ze op Eeden!

 

 

De kat was weg, en Matte kreeg haar die avond niet meer te spreken. Zijn lippen tintelden nog, maar missen deed hij haar niet…

 

 

 

 

 

Proloog

We lopen door de ruimte die we krijgen als duizenden kleine stipjes. We krioelen langs elkaar en over elkaar. Soms botst het ene stipje tegen het andere. Soms zijn er vonkjes tussen de stipjes. Soms niet. Misschien zijn het ook wel geen stipjes. Misschien zijn het wel lichtjes. Kan dat? Een pen ligt op tafel. Licht schijnt op de muur; die krijgt een vreemde, groenbruine kleur. Er speelt wat muziek- is het viool? Het is niet koud, maar ook niet behaaglijk warm. Buiten is het al donker. Er hangt een oude pop aan de zijkant van de kast, een herinnering aan vroeger tijden, toen de fantasie nog leefde in het hoofd van een kind. Naast de kast hangt een schilderij van een sneeuwstorm, mooi gemaakt, met verschillende tinten blauw, grijs en wit. Er ligt een tapijt op de grond, okergeel met marineblauw. Ja, het is vioolmuziek. Soms piano. De tuin van Eden, wat was dat? Dat was heilig, toch? Daar mogen we niet komen... door de zonden van Eva? En diens zoon vermoorde zijn broer? Voor al die zonden zijn wij uitgesloten van de tuin van Eden? Of de Hof van Eden? Is dat beter? Wie was Sarah? Was dat niet de dochter die niet bestond?

In ieder mens, goed of slecht, zit een spoortje goddelijkheid. Een spoortje besef, een kracht. Ieder mens word in de een of andere omstandigheid gestuurd door de intuïtie, een perfecte mengeling van je rationaliteit en je emotie. Noem het een vlammetje die de fakkel brandend houdt. Het kompas dan, die de schepen in de juiste zeeën stuurt?
De zee. Stipjes op de golven? Ja, een stipje. Een lichtje. Een klein lichtje deint mee op de golven. Het enige lichtje in zee. Al van verre te zien. Als schepen haar in het oog krijgen draaien ze zich om, als was het een vuurtoren waarschuwend voor een wal of baai. Dus het lichtje zwerft alleen door de straten der golven. Af en toe zijn er andere lichtjes op de kade, die het lichtje bij zich roepen en die de bewegingen van het lichtje volgen. Maar het lichtje is geen drenkeling. Hoe kan een lichtje immers verdrinken? Het verschil tussen de kade en de golven is als dag en nacht. Het licht binnen, de nacht buiten. De viool en de piano, de pen en het schilderij. Het hangende popje, het tapijt dat daar doelloos licht- okergeel en donkergrijs, maagdelijk wit en indigoblauw.

Wat is het als je niet bestaat? Voor anderen, voor jou, voor dat spoortje goddelijk besef? Wat ben je dan, de Sarah, of de Messias? Dat lichtje daar, op zee, tussen de golven... is zij de oorzaak dat de Hof van Eden nog steeds niet bereikbaar is voor mensenhand? Of is zij juist het stipje met de sleutel? Kan een stipje wel een sleutel dragen? Of heeft de Hof van Eden geen sleutel?

Misschien kan ze de sleutel dragen omdat ze niets anders heeft om te dragen. Het vuur of het kompas, dat bestaat niet bij haar. Dus ruimte genoeg voor dat sleuteltje. Misschien is het geen sleuteltje. Wat is er nodig, om een ruimte te betreden die verborgen is en niet betreden dient te worden? Een sleutel misschien ja, of een woordje? Een diamant? Een heilig zwaard? Een geschreven zin? Gesproken? Een gedachte? Een gedachte... de gedachte als sleutel tot dat wat wij allen niet bereiken kunnen... waarom niet? Door dat vuurtje, door dat kompas? Geen ruimte voor de rede? Voor de gedachte? Waarom ook? Er is toch dat besef? Niemand van ons is toch stuurloos? Dus waarom ruimte voor de rede? Kan dat? Kunnen wij de tuin niet bereiken doordat het besef ons weerhoud van de gedachte?

En zij? Dat lichtje op zee? Wel gedachte maar wat ontbreekt? Dat is het besef. Dat is de kracht. Dat is de sneeuw op het schilderij en het licht op de muur. Stuurloos drijft het stipje mee op de stroming van de zee. Deinend op de golven, hoofdje onder water. Boven water... Dus wel de sleutel, namelijk de gedachte, maar te stuurloos om die plek te vinden waar het slot is. Immers, om een sleutel te kunnen gebruiken heb je een slot nodig. Dus zoekt zij. Voor hen op de kade, voor de schepen die langs haar varen. Tegen hen, dat ook. Zij zonder besef en zij met besef... een verschil van dag en nacht. Zij met sleutel en zonder slot. Zij met slot en zonder sleutel. Bestaat zij? Zij, Sarah? Ja... Sarah bestaat en ze heet Eeden. En ze drijft stuurloos rond, op wat zij noemt, ‘haar zeeën.'

Zeker van

Scene tussen Eeden en de tienjarige Kenda.

 

 

‘Zesentwintig december. Zestien jaar geleden. Een klein meisje zit over haar tafeltje gebogen. Haar donkere haartjes hangen los over haar schouders. Ze heeft het koud, ze rilt een beetje. Ze is aan het schrijven. Een zwarte vulpen, met een gouden rand bij de dop. Zwarte inkt. Haar vingertjes verkramp om de pen. Ik zie dat meisje nog zitten, aan dat kleine tafeltje bij de haard. De haard die niet brandde. Als ik mijn ogen sluit zie ik haar zitten. En ik ruik de geur van brandend hout, die zij toen zo graag had geroken. Af en toe recht ze even haar rug en gaat ze iets verzitten. Een donkere stem spreekt haar dan vermanend toe. Ze schrijft een gedichtje, dat kleine meisje.
De donkere luchten
Vlinders in de zee
Witte duifjes op mijn handen
En het zuchten van de wereld
Breekt de golven van de wanden
En neemt de witte vleugels mee
Zes zinnetjes. Die weet ik nog. Gek hè, dat ik zes zinnetjes onthoud? Van het hele gedicht? Het hele gedicht was lang, veel langer. Een aantal bladzijden uit mijn schrift. Het schrift. Een bruin schrift met versierde harde kaft. Het was niet eens een mooi gedicht, eigenlijk. Inhoudsloos. Zo zijn mijn gedichten altijd. Op die toon. Het gaat altijd over donker, over vlindertjes, over vliegen, golven, breken. Dramatisch. Ik weet niet eens waar ik over schrijf. Ik vind de woorden en zij vinden mij, maar soms doet het me niet eens wat. Vreemd is het. Dat meisje schrijft en schrijft en als ze even stopt zegt die donkere stem dat ze door moet schrijven.'
‘Was het een stem in je hoofd?'
'Ik ben niet gek, zeg.'
'Wie dan?'
'Mijn vader.'
‘En bleef je schrijven?'
‘Altijd.'
‘Blij dat ik geen vader heb.'
‘Weet jij veel. Niet alle vaders zijn als mijn vader.'
‘Vond je 't niet vervelend?'
'Weet jij wat pas vervelend was? Doorschrijven en geen idee hebben of wat je doet goed is. Dat vond ik altijd zo vervelend aan mezelf. Het ene moment vond ik mijn gedichten mooi en een afspiegeling van mijn ziel, het andere moment vond ik ze lelijk en inhoudsloos. Dan voelde het alsof ik alleen maar naar de mooie woorden zocht en mezelf vergeten was. Andere momenten voelde het alsof ik geen ziel had en schreef omdat ik moest schrijven, omdat ik moest.'
‘Raar, dat je het ene moment denkt dat je 't goed doet en dan weer denkt dat je 't fout doet.'
‘Zo gaat het mijn hele leven al, Kenda. Niet alleen toen ik jong was, niet alleen met schrijven. Ook met acteren. Soms denk ik dat ik het kan en soms vind ik mezelf vreselijk. Wist je dat ik met Atmosfera eerst auditeerde voor Yuvangaleshah? Ik voelde me vreselijk toen ik de rol van koningin kreeg. Ik weet het niet. Ik doe maar wat er in me opkomt, maar ben kritisch over alles. Ik kijk teveel naar mezelf en wat ik dan zie staat me niet aan. Als ik mezelf zie en hoor dan is het een heel ander iemand dan ik wil zijn. Als ik mezelf niet zou zijn maar iemand anders zou ik niet graag in mijn buurt zijn. Ik zou mezelf niet mogen.'
‘Ik vind dat je goed kunt acteren. En je schrijft mooi.'
‘Dat geloof ik toch niet. Het is niet alleen dat, trouwens. Het is alles. Ik kan ook niet tekenen, hoewel er mensen zijn die vinden dat ik wel kan tekenen-'
‘-kan je ook.'
‘Ik vind van niet.'
‘Ben je onzeker, Eeden?'
‘Nee. Dit heeft niets met onzekerheid te maken. Onzekerheid is dat je wel van jezelf wilt houden maar dat moeilijk vind. Ik mag mezelf helemaal niet. Ik ben wie ik ben ondanks mijzelf. Alsof ik en ik naast elkaar leven. Ik denk veel en handel daarnaar maar waarderen doe ik dat niet. Vreemd is dat. Ik kan wel vinden dat ik geen aangenaam persoon ben, maar ik ga me niet anders gedragen.'
‘Je hebt toch mensen die om je geven? Dan moet je wel een aangenaam persoon zijn.'
‘Ik zou niet om mij geven als ik mij niet was geweest.'
‘Als je dan niet gelooft dat je dingen goed kan en je vind dat je niet aardig bent, vind je jezelf dan ook niet mooi?'
‘Kenda, luister. Ik kijk niet graag in spiegels en als ik dat wel doe dan word ik kwaad. Ik zal nooit tevreden zijn met hoe ik er uit zie. Ik kan niet zeggen dat ik dunner wil zijn, dat mijn ogen te groot of te klein zijn, dat mijn neus een vreemde vorm heeft, dat mijn borsten te groot of te klein zijn, dat mijn lippen te dik of te dun zijn, dat ik lelijke tanden heb, enzovoorts. Dat zal je me niet horen zeggen. Dat is het namelijk allemaal niet. Ik vind mezelf gewoon niet mooi. Sowieso niet mooi. Vaak als ik met mensen praat ben ik kortaf, gemeen of snauwerig omdat ik geen lange gesprekken met mensen wil voeren. En weet je waarom niet? Omdat ik niet wil dat ze naar me kijken.'
‘Maar Eeden, ik vind je heel mooi!'
‘Dat is lief van je, Kenda. En ik wil jou ook helemaal niet aanpraten dat je zo over jezelf moet denken, maar ik kan niet anders.'
‘Zo zal ik niet denken.'
‘Jij bent nu al mooi, en je wordt nog veel mooier.'
‘Ik denk er gewoon helemaal niet over na. Ik denk niet na over wat ik kan of hoe ik er uit zie, dan vind ik ook niks.'
‘Ik wou dat het voor mij zo gemakkelijk was om geen mening te hebben.'
‘Probeer het dan eens!'
‘Ik wou ook dat er ten minste een ding was dat ik kon! Een ding waarvan ik zeker was, waar ik op kon vertrouwen, al was het nog zoiets stoms!'
‘Helpt dat, denk je?'
‘Ja, Kenda, dat helpt. Iedereen heeft een stukje zekerheid nodig.'
'Je hebt een goed geheugen, je weet het gedichtje van zestien jaar geleden nog.'
‘Ik ben zeker van het getij.'
‘Wat is dat?'
‘Eb en vloed. De golven die het strand breken. De witte schuimende branding.Ik ben zeker van de zee.'

Genegenheid

‘You make me walk on bare feet.'
'Lady.'
'Het is echt zo, ik loop graag op blote voeten.'
'Je bent net een zigeuner, Dee. Blote voeten en los haar.'
'Als ik ergens ben wil de grond onder mijn voeten hebben gevoeld, niet onder mijn schoenen maar onder mijn voeten. En de wind door mijn haar.'
'En dat doe ik?'
'Dat zei ik hè? Nee, Matjelief, ik had het tegen de stad.'
'Heb je teveel wijn op?'
Ze giechelde.
'Peut-être.'
'Je hebt mooie voeten.'
'Hou je mond, ventje.'
Ze sloeg hem zacht tegen zijn hoofd en leunde iets dichter tegen hem aan.
'Jouw voeten zijn vast op veel plekken geweest,' zei hij.
'Teveel om te noemen. Ik heb geen thuis. Reizen is mijn alles.'
Hij streelde haar voeten. Mooie, kleine, elegante voeten. Hun gouden glans tekende sterretjes voor Colmatte's ogen.
'Ik heb ook mooie nagels,' zei ze.
'Ja, je hebt ook mooie nagels.'
'Wat is voor jou het beste gevoel ter wereld?' vroeg ze.
'Het beste gevoel? Ik denk liefde.'
'En wat is liefde voor jou?'
'Flauwe clichévraag, Dee.'
'Niet. Ik wil weten of liefde alleen maar houden van is en iemand lichamelijk aantrekkelijk vinden of dat het meer of minder is.'
'Liefde is een sterk gevoel voor iemand.'
'Kan je voor meer mensen liefde voelen?'
'Ja, maar echte liefde maar voor één.'
'Voel jij nooit liefde voor een groep mensen, als je het in een groep heel fijn hebt?'
'Jij bent in de war met genegenheid.'
'Oh ja, die hadden we ook nog.'
'Genegenheid is wederzijds respect en dankbaarheid daarvoor.'
'Ik vind dat gevoel het fijnste gevoel dat er bestaat. In een groep zijn en je goed voelen. Je kan niet jezelf zijn als je geen mensen hebt om jezelf tegen te zijn. Nu wij samen zijn is dat ook fijn en alleen met Mor is het ook fijn, maar met de hele groep van Atmosfera was het heerlijk. We zongen samen dezelfde liedjes, spraken dezelfde taal en hadden dezelfde handgebaartjes. Het is fijn om iets van iemand te zijn.'
'Een druppel uit het glas vol wijn?'
'Een toets van de piano, tussen alle andere toetsen.'
'Genegenheid beter dan liefde?' vroeg hij.
'Liefde kan zo snel omslaan in pijn, genegenheid minder snel. Denk ik.'
'Liefde is zowel houden van en van gehouden worden. Na jaren van jou gehouden te hebben leer ik nu genegenheid voor je te voelen. Sindsdien doe je me nooit meer pijn.'
'Genegenheid maakt dat ik je wil aanraken, Matte. Ik wil je vasthouden en bij je zijn. Maar liefde wil ik het niet noemen.'
'Genegenheid kan je ook voelen voor een plaats. Of een schilderij. Een vuur, een golf, een kind, een oude vrouw.Genegenheid is dat zeldzame moment dat je denkt; op dit moment precies ben ik volmaakt gelukkig. Alsof je glimlacht van binnen en je warm wordt en alles lijkt te twinkelen. Niets is ooit perfect, maar die kleine momenten dat je sprankelt zijn zo heerlijk dat je je geen zorgen meer maakt om imperfectie.'
'Mijn voeten zijn wel perfect.'
Hij begon te lachen.
'Voel je genegenheid voor je mooie voetjes, Dee?'
'Ja.'
'Je hebt misschien gelijk. Misschien is genegenheid beter.'
'Ik geloof niet in beter en slechter, ik geloof niet in echt en echter.'
'Echter als in vrai et plus vrai, real en realer, wirklich en wirklicher, of echter als in maar?'
'Beide.'
'Jij was altijd mijn maar en mijn echter, en mijn nee en mijn niet en mijn nooit.'
'Nu ben ik je ja, je jazeker, je altijd, en je wis en waarachtig.'
'En zwaar dronken.'
'Niet.'
'Aangeschoten.'
'Misschien.'
'Wel sensueel.'
'Vind je?'
'Je glimlacht constant. Mooie witte tanden op je olijfbruine huid.'
'Ik heb ook mooie tanden.'
'Mooie huid.'
'Hele mooie tanden. En mooie lippen.'
'Ja, je bent mooi.'
'En dat is sensueel?' vroeg ze.
'Sensuele handen. Kleine handen met slanke vingers en mooie nagels.'
'Je hebt me nu al twee keer sensueel genoemd.'
Hij voelde een vreemde golf van spanning in zijn onderbuik die hij al tijden niet meer had gevoeld.
'Één kus,' fluisterde hij.
'En die genegenheid dan?'
'Eden, niet nu...'
'Geen discussie? Geen zin in?'
'Slechts een kus, toe...'
Haar vingers bespeelden zijn borstkas als een pianotoets,ze bewoog naar hem toe als een druppel wijn, wat wilde hij die wijn drinken, hoe graag wilde hij ook spelen, melodieën, zoet en zwoel als de Sarrahse nacht!
Toen pas voelde hij hoe dicht hun lichamen bij elkaar waren; hij met zijn ontblootte bovenlijf tegen haar aan, die niets meer droeg dan een dunne jurk van turkoois zijde. Haar handen waren overal, en nu de zijne ook, ze spraken niet meer en dat hoefde niet, hij hoefde niet te spreken om te smeken, hij smeekte met zijn vingertoppen, die danste door haar haar, over haar hals, borsten, schouders. Het gevoel in zijn buik werd sterker en hij merkte aan Eeden's onrustige ademhaling dat zij ongeveer hetzelfde moest voelen. Ze kuste zijn schouder, borst, hals, kin, en hij deed bij haar hetzelfde. Hij pakte haar hand, kuste de palm, de vingertoppen, de V tussen duim en wijsvinger, haar pols, armen, en hij voelde het kippenvel op de huid. Zijn tong danste over haar schouder, ze hield de adem in. Ze drukte haar vingertoppen in zijn nek maar zei nog steeds geen woord. Toen hij stopte legde ze haar wijsvinger onder zijn kin en dwong hem haar aan te kijken. Haar ogen glansden en toen kuste ze hem. Toen kuste hij haar. Zijn lippen, zijn tong, alles perfect, de schittering van geluk die zoveel meer was dan liefde, zoveel meer dan genegenheid. Imperfectie bestond niet voor hen. Ze kusten, lang en intens.

Roma love. PART 1.

Laat ik maar eens beginnen met waarom ik weer  blij ben om thuis te zijn. Zal ik daarna vertellen waarom ik niet blij ben.

Ten eerste is 't fijn om normaal te eten. Normaal brood, geen mozzarella en tomaat. Ten tweede is 't fijn om een echte badkamer te hebben en geen hok. Ten derde, geen hondenpis in je kleren. Niet meer aangerand. Geen irritante eigenschappen meer van mensen. Allemaal fijn.

Zal ik nu eens vertellen over de goede kanten van the life of Rome? Het komt wel in delen. Hier deel 1.

Zondag.
gingen we weg. Na een lange, warme, ingewikkelde busreis kwamen we op het vliegveld. Doordat het inchecken lang duurde hoefden we niet lang te wachten op de vlucht. En op het vliegveld kwam het eerste Roma love woordje: KutPepijn, Pepijn was een jongen uit V5, en hij deed irritant. Ondanks wat longpijn was de vlucht heerlijk. Over de Alpen vliegen en dan de zon te zien ondergaan, geweldig is dat! In Rome was t heerlijk warm. Echt heerlijk. Na lang wachten op de bus gingen we dan eindelijk naar het centrum. We werden vlakbij het hotel afgezet, kuthotel, haha. Op een kamer met Loes, Geartsje, Maartje en Femke uit V5. Raar kind. 's avonds McDonald's gegeten, geheel fantasieloos maar er was niks anders. Toen een poging doen om te slapen. haha. Poging.

Maandag.
heb ik mijn voeten doodvermoord. Om kwart voor 7 opgestaan om te douchen, kutmengkraan, daarna ontbijten, kutontbijt. We zijn eerst naar de San Ignazio gegaan. Mooie kerk! Heb een kaarsje gebrand voor Belle, en voor Diane, om haar kracht te geven. In 't bijzijn van best veel mensen een kruis geslagen met wijwater. Mooie, mooie kerk! Na een half uur weg, naar het Pantheon, waar Maartje en ik een presentatie over deden. Saai ding joh, dat Pantheon. We hebben nog wat zuilen gezien, wat fontijnen, we zijn op een marktje geweest, op een forum, en bij 't circus Maximus. 13 van ons zijn een rondje gaan rennen om de renbaan voor een biertje. Op het Piazza Navona ons eerste ijsje gehad.
We gingen uit eten in een restaurant waar we met de glazen gingen spelen, tot irritatie van de obers. Het eten was ranzig. Althans, het hoofdgrecht. Mozzalrella en Tomaat. Bah. Wel lekker toetje. 's Avonds naar de Trevi fontein en de Spaanse trappen, echt the Place to be! We hebben allemaal Nederlandse liedjes gezongen, van een Potje met Vet tot het is een nacht, allemaal om de Duitsers te jennen die achter ons op de Trappen zaten, en die ook heel erg aan 't zingen waren. toen ze weggingen hebben we ze nageblerd met schade deutschland, alles ist vorbei. Zelfs de docenten deden mee.

's avonds 12 uur thuis. SLAPEN.

 

Zevenentwintig één.

Scene tussen Eeden en Colmatte.

Als ik zou geloven dat een mens zou kunnen veranderen door enkel te praten dan zou ik ook geloven dat ik zou kunnen veranderen door te praten.


Denk jij dat de geest van een mens onveranderbaar is vanaf de geboorte en dat je niets slechts zou kunnen afleren en niets goeds kan aanleren?


Vaardigheden kun je leren maar de kunst van het zijn en de verfijndheid van het karakter is standvastig en niet door mensen aan te tasten.


Is de kunst van het zijn en de verfijndheid van het karakter dan wel door het lot aan te tasten of dat ook niet?


Echt veranderen kan alleen als je leert van iemand te houden en als je hart voor hem klopt want dan is de ziel perfect.


En jij hebt dat nog niet geleerd want jouw ziel is verre van perfect laat staan dat jouw hart voor iemand klopt.


Ik zal meteen toegeven dat ik niets veranderd ben vergeleken met hoe ik vroeger was en wie ik vroeger ben geweest.


Het zou veel voor me beteken als je leert veranderen en toegankelijker zou worden voor mensen die je willen begrijpen.


Het zou veel voor jou betekenen als ik iemand leerde liefhebben maar dat is nu net de sinistere paradox.


De Paradox is dat je moet veranderen om te kunnen liefhebben en moet kunnen liefhebben om te veranderen.

Ik laat me niet afleiden door liefde als ik nog een passie heb die me wil vasthouden.

De paradox is dat je passie het groeien en de wijsheid en de absolute perfectie is.

Dat terwijl de passie me inspint als was ik aan duizenden ketenen en boeien gebonden.

En om de passie te bedwingen moet je kunnen veranderen en dat kan niet.


Passie en liefde vormen een keten met verandering die ik niet kan breken.

Die kan ik ook niet verbreken al zou ik dat wel willen.

Misschien zou ik kunnen veranderen als ik geen passie meer had.


Als ik je passie afneem, neem ik je alles af.


Merk je dat we met steeds minder woorden spreken?


Hoe bedoel je ‘met steeds minder woorden spreken'?


En die zin bestond uit zeven woorden.


Dan bestaat deze vast uit zes?


We begonnen met zevenentwintig woorden.


En jij telt ze?


Ik tel ze.


En dan?


Niets.

 

 

Quotations

  • Have you seen the size of the cups these days? They've been getting bigger for three hundred years. 'Regular' is now the size of a dustbin. Only last week a small child fell into her Sprite and drowned.
  • The hairy one is back. And this time, she's a babe.

     What is it with this "chick" business? Do I have feathers? Do I lay eggs?

     

  • Hello! Pervert! It's a short sentence, the second word is "off".
  • There is always hope! Hope is our birthright.
  • Bob: I'm Bob. Bob the poet; Bob the rebel; Bob the prophet - I am Bob the Builder! And I like to fix it!

    Scaramouche: So... let's rock!
    Galileo: Yeah! ...I don't know how to start.
    Scaramouche: Come on, buddy. You're a boy.
    Pop: Make a big noise!
    Scaramouche: Playing in the street...
    Pop: Gonna be a big man someday!
    Galileo: That's it!